Groene tengels

Van een Amsterdams dakterrasje, van nog niet eens mijn eigen dak, ben ik naar een serieus grasveld gegaan. Een vreemd geproportioneerd stuk wildernis met bramenstruiken en ander agressief spul, van zo’n 50 stappen lang en 12 breed. Eentje waarvan ik niet weet wat ik er mee aan moet. Voor de Portugees is dit een nietszeggend grasveldje; die heeft doorgaans een enorme lap grond waar hij zijn dagelijkse groenten op verbouwt. Ongespoten, self-sufficient, maar vooral heel tijdrovend.
In Amsterdam kocht ik het geplukt en gewassen in ijswater en wist ik wat het groene ding was doordat de naam gedrukt stond op een etiketje. Het werd al wat lastiger als ik het zelf moest uitzoeken aan de hand van een scheef gedrukt plaatje op de weegschaal.
Het zou voor mij toch heel handig zijn als alles wat groen is een stickertje krijgt.

Voor mijn verjaardag, begin januari, heb ik 3 houten stengels gekregen.
Stengels om in de grond te stoppen.
Die dingen hebben de hele winter naast de voordeur in een prullenbak van de IKEA gestaan. Niet bij stil gestaan dat er in de bodem een gaatje zou moet zitten, dus ik heb ze nog verzopen ook.
Het was afzien, zowel voor mij als voor de stengels. Iedere dag werd ik geconfronteerd met mijn gebrek aan groen gevoel, en waar woon ik? Midden in de rimboe met alléén… máár… groen!
Verdomme, wordt me weer een hobby opgelegd.
Ik vind die bloemen die uit de stengels komen wel leuk, maar je moet er zo ontzettend veel voor doen om die krengen uit dat takje te krijgen.

In de maand april geef ik ze dan toch maar een tweede kans. Als ik in dit land wil wonen zal ik moeten assimileren.
Overtuigd van mijn nieuwe roeping giet ik er nog een lading water overheen, werp de dingen achterin de auto, en besluit ze te gaan planten in de tuin bij het huis waar we gaan wonen.
Alsof ik een tuincursus heb gevolgd, steek ik een schop in de grond en hak een flink gat in de aarde door met m’n volle gewicht op de schop te springen. Ik stop het takje erin en dek het weer toe met de klei-achtige aarde.
Helemaal voldaan van deze bijzondere stap. En ook in de hoogste veronderstelling dat ik wel zeer groene vingers heb, want ze zitten er tenslotte in.

Dit vraagt om een nieuwe garderobe.
Ik ga helemaal los in een Gamma voor boeren en schuivel met een piepend driewielig karretje de toko door. Waar is die afdeling harken. Ik wil zo’n ding met aan de ene kant een schopje en aan de andere kant een ini-mini harkje… Oh daar hangt ‘ie naast de mega grasmachines. Het bi-functionele ding ziet er ineens wat knullig uit, maar dat drukt mijn pret niet.
Om het wat meer zin te geven, moet ik bloembollen meenemen. Ik kom langs het gangpad van gieters en tuinslangen en aan het einde vind ik dozen vol met bloembollen. Alsof het uitverkoop is storm ik er op af en graai alles wat ik pakken kan, ik moet veel van die dingen hebben want ik heb een grote tuin waar ik nog niet zo goed mee overweg kan. Dat moet verbloemd met overdaad.
Als een bezetene stop ik de dahlia’s, begonia’s en de andere aardappels in verschillende zakjes en mik ze op afstand in de kar. Eenmaal thuis kan ik ze, met mijn aangeschafte schopje, in de grond stoppen en hoppetee, het ding omdraaien en de boel weer aanharken. Wat een professionaliteit.

En dan, ineens dwarrelt een lege doos waar eerder de bloembollen in zaten op de grond, en valt mijn oog op de zijkant waarop gedrukt staat: “Bulbs from Holland”…
Met een pijnscheut in mijn buik schiet mijn afdeling herinneringen terug naar de Bloemenmarkt op de Singel. In een visioen zie ik de overvolle kramen met bloembollen, in de weg staande toeristen, tulpen, ik baan me een weg door de massa, want ik wil eten op de hoek van het straatje waarvan ik de naam niet weet.
Mijn plekje is nog vrij, ik ga aan het raam zitten naast het rekje met de tijdschriften. Het is druk, dus ik moet even wachten tot ik kan bestellen. In de tussentijd bekijk ik het gekronkel op de markt en daarachter de verkoper van een van de kraampjes, die nog net niet gapend een toerist te woord staat en ‘m een zakje bollen verkoopt. Wanneer ik mijn hoofd omdraai, staat de juffrouw naast me en vraagt wat ik wil. “Een uitsmijter ham/kaas met twee eitjes, niet drie, en een verse munt-thee”, zoals altijd, maar dat zeg ik er nog net niet achteraan.
Blij met mijn wederkerende bestelling pak ik de nieuwe Residence uit het rekje en blader het door…

Met dit beeld schiet ik weer terug naar de Hollandse bloembollen in Portugal en ga verder met mijn missie. Ik heb een nieuwe hobby en die moet ge-finetuned worden met accessoires.
Je kent ze wel, vrouwen die gaan skiën in een voorgevormd ski-pak met een bonte toef op het hoofd. Als een opgepofte rijstkorrel sjeest het loodrecht naar beneden. Eerst nog enthousiast, maar twee kilometer later angstig bedolven onder de meegenomen lawine. Gelukkig drijft ze zo weer boven water, want het pak is fluoriserend en geeft licht… 

Dat ben ik, maar dan met tuingereedschap.

Maanden lang zijn de takjes, takjes gebleven. Maar het moment dat de eerste knopjes kwamen, en het besef dat ik deze toch wel een beetje heb weten aan te sporen door ze alleen al in de grond te stoppen, ontstond er soort eerbied voor deze stokjes. Ze hebben mij weten te doorstaan.
Alsof het mijn creaties zijn, moedig ik ze aan en geef ze gepast water. Ik praat er nog net niet tegen, maar dat zou zo maar kunnen.

Gatver, straks vind het nog leuk ook.

Retourtje Amsterdam

Iedere Nederlandse emigrant heeft geloof ik het boekje “Ik mis alleen de HEMA” gelezen, dus als beetje geïntegreerde immigrant moet ik dat toch ook maar doen. Schijnbaar ben ik al tig keer bij Hans en Eddie aangekomen, want elke keer stokt het bij dit stel en weet ik weer waarom ik niet verder ben gegaan in dat boekje. Hans en Eddie hebben een Bed & Breakfast in Portugal, althans dat hadden ze toen het boekje werd uitgegeven in 2006, en komen ook uit Amsterdam. Zij zijn één van de 19 koppels/stellen/mensen dat geïnterviewd wordt in het wel leuk beschreven boekje. Hans en Eddie zijn mensen waar ik denk ik graag op bezoek bij zou willen komen en een lekkere glas wijn mee zou drinken, of meerderen.

Er is één zin in het boekje, voor zover ik het dus heb gelezen, wat maar bij me blijft hangen; “Als je dan de kracht vindt om alles achter je te laten en iets heel nieuws aan te gaan… “.

Kracht. Iets nieuws wel, maar kracht? Ga je een emigratie aan als het je heel veel kracht moet kosten? Dat lijkt alsof je niets anders meer rest dan te vluchten naar het buitenland, omdat er geen uitweg meer is. Dobberend op een bootje totdat je dan eindelijk de kade bereikt van het beloofde land. Ik dobber niet, ik ben geheel overtuigd de grens overgetrokken. Ook geheel bewust van het feit dat het leven in het algemeen kracht nodig heeft en dat dat niet persé te maken heeft met het land waar je in woont.

Misschien moet ik verder lezen, in dat boekje. En er achter komen waarom deze mensen emigreren en een nieuw leven aangaan in dat ene land met andere gewoonten. Voor mij is Portugal een vanzelfsprekend thuiskomen, totaal geen kracht voor nodig om dit te voelen. Dat was de voornaamste reden om hier naar toe te komen, wellicht heeft dat ook te maken met wat ik in een eerdere blog schreef, dat er heel ver weg wat lijntjes met dit land getrokken zijn.

Maar dan. Amsterdam.

Een paar weken terug ben ik met Fadi twee weken naar Nederland gegaan. Terwijl het thuisfront hier in Portugal zich suf heeft gewerkt om ons nieuwe huis enigszins bewoonbaar te maken en wat palen in de grond te slaan voor onze nieuwe accommodatie, zat ik in de emotionele achtbaan, met Fadi achterin die er geloof ik minder last van had dan ik.
Twee weken Nederland klinkt als vakantie… dat is het niet. Je bent niet meer dan een wandelende agenda met deadlines, want er moest veel geregeld en bezocht worden, ik had een lijst dat moest afgewerkt.

Één punt had ik niet op mijn lijstje gezet, dat punt zweefde ergens in mijn hoofd en kwam zo nu en dan omhoog; het punt wat doet Amsterdam nog met mij. Toen Hans of Eddie naar Amsterdam ging om een zieke vriend op te zoeken, vroeg hij zich af of hij een brok in zijn keel zou krijgen wanneer hij op Schiphol aan zou komen. Dus eenmaal in het vliegtuig richting Amsterdam heb ik me voorbereid op een emotionele toestand, geschikt voor het tv-programma wat teert op al dat gemis en waar zoveel mogelijk in gehuild moet worden.

Aangekomen bij de kofferband gebeurde er niks… helemaal niks. Alsof we van een aantal weken vakantie terug kwamen en het leven weer op zouden pakken waar het gebleven was, maar dan werkloos. Mijn moeder stond ons op te wachten met een ballon in de vorm van een vliegtuig. Die was voor Fadi. Alsof ik mijn moeder iedere dag zag, omhelsde we elkaar en deden alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat we elkaar twee keer per jaar zien, een soort zelfbeschermingsmechanisme.
We reden over strak geasfalteerde snelwegen richting Hilversum, naar het huis van mijn moeder, met gele koplampen die afstaken tegen deze perfecte blauwe horizon. De lucht was kraakhelder, het had iets ijlig duns, iets wat alleen in Nederland hoort en ook niet anders zou moeten zijn.

Na de volgende dag wat punten van mijn lijstje afgewerkt te hebben, ging ik met de trein naar de hoofdstad, ik kocht als dagtoerist van het platteland een retourtje Amsterdam. Weer zo’n toerist die deze stad zo ontzettend volmaakte. Weer zo’n lullig vlekje in deze onpersoonlijke rondmierende massa. Ik had mijn plek vergeven, ik ben geen onderdeel meer van het dagelijkse gespuis en moet een kaartje kopen om er in te komen.
Na eindeloze groene vlaktes met wat koeien, kwam ik aan op het stationsplein en besloot te lopen in plaats van die eeuwige tram te nemen. Het had niet veel nodig of ik schoot vol, op het minst appetijtelijke stukje van Amsterdam-Centrum schoot ik vol. Ik kwam thuis.
Al dit heb ik achtergelaten voor wat? Geen vrienden, geen familie, geen leuke kroeg, geen geld, een onaf huis, een kind wat struggelt met de taal…

In Amsterdam had ik alles!

Door de Rokin liep ik via de drukte van de Dam naar de Nieuwezijdse Voorburgwal en volgde de weg via de Spui naar het Koningsplein. Ik draaide me daar even om, om te zien of alles nog hetzelfde was. Scheltema zit er gelukkig nog, ook de Albert Heijn. De brillenwinkel waarvan ik nog steeds de naam niet weet en nog wat juweliers. Ik wandelde met een brok in mijn keel door de Leidsestraat naar het Leidseplein, het plein waar ik 16 jaar vlak naast heb gewoond. Dit was een puur geluksmoment.

Ik moest naar mijn appartement, tegenover de Melkweg, om iets te repareren. Met de sleutel en toestemming om binnen te komen, opende ik de voordeur onder de Cinecenter en liep de trap op naar de eerste verdieping. Daar was het dan, de voordeur naar mijn vorige leven. Hier waren geen Tarotkaarten voor nodig, ik hoefde alleen maar deze deur te openen.
Het was nog steeds mijn huis en het hele pakket aan herinneringen sjeesde aan me voorbij. Dit was niet handig, dus ik deed wat ik moest doen en kneep er tussenuit… Maar nog even zag ik in een herinnering, Fadi door de deuropening naar binnen kruipen.

Het had niet veel kracht nodig om weg te gaan uit Nederland. Het had kracht nodig om terug te komen.
Een goed teken. Ik ben weg gegaan om de juiste redenen en niet omdat ik gevlucht ben, zodat ik er niet meer hoef te zijn. De laatste dag Amsterdam wist ik het weer, ik ben gegaan omdat ik in Portugal wil wonen, om een nieuw en ander leven op te bouwen, met alle verschillen dat het met Nederland heeft…

Het was tijd om naar huis te gaan.
Tijd om nieuwe herinneringen te maken.

Fadi

Portugal is gek op kinderen. Hier zou een kind met een hysterisch toeval, horizontaal op de grond van een gangpad in de supermarkt kunnen blijven liggen. Uiteraard bij gangpad nummer 3 waar, heel listig, schappen met mega veel snoep op peuterhoogte ligt. Met pedagogische wanhoop uitleggen dat snoep niet goed voor je is, heeft weinig zin; snoep is namelijk veel aantrekkelijker dan jouw gezever over E- en kleurstoffen. Er rest je niets dan te gaan schreeuwen, wat eigenlijk ook niet werkt. De laatste halte is het ander schreeuwend object meesleuren, nog steeds horizontaal dus. Dat is een Hollandse scene. Hier zie ik geen horizontale kinderen. Hier huppelt alles verticaal rond.

Portugal is gek op kinderen. Tenenkrommend kijk ik toe wanneer mijn kind voor de zoveelste keer wangenknijpend wordt gevoerd met koekjes, de een nog groter dan de ander, mij compleet negerend en misschien wil ik ook wel zo’n chemisch ding. Ook heel gewoon is een glaasje melk vragen in de lokale pastelaria en er vervolgens een schep Nesquik in te zien drijven. Blijkbaar is het niet gebruikelijk toestemming aan de ouder te vragen, het lijkt een manier van contact maken met het kind, waar er in Portugal al zo weinig van zijn. In het kader van integratie laat ik het meegaand toe en dwing ik mij dit alles meditatief van me af te laten glijden.

Portugal is gek op kinderen. Ze worden overal mee naartoe gesleurd; oudjaars-avond, Fado-avond, soep-avond, al dan niet met Ipad en soms gestrekt in de kinderwagen. Dat kind is er bij en ook braaf onderdeel van het festijn. Alles begint laat, heel laat. Ontstaan door de hete zomerdagen en de zwoele avonden na zonsondergang, waarbij iedereen eindelijk weer tot leven kan komen en daar rijkelijk gebruik van maakt.
Mijn gewoonte om na 22.00u in te storten, is hier dus een zielige handicap. Ik zal toch echt moeten gaan muteren, voordat ik straks op een bruisend strandfeest word overleefd door een peuter.

Ik ben gek op één kind. Om te kunnen integreren, moet je soms heel wat gewoontes loslaten, in ons geval is dat onder andere stiptheid en regelmaat, dat geldt ook voor Fadi. De plek om andere kindjes te ontmoeten is niet in de speeltuin, maar op een dorpsfeest wat laat in de avond echt op gang weet te komen. Die avond was er een soepfeest van het dorp waar je, inderdaad, soep kan eten. 32 verschillende soorten soepen waar je je vingers bij aflikt. Het soepgebeuren begon om 20.00u, tegen bedtijd van Fadi aan en het kind viel dan ook bijna in slaap, waardoor mijn eerste moederinstinct bedacht dat dit onderdeel van integreren toch echt nooit meer ging gebeuren. Totdat er een clubje stoere kids met voetbal binnen kwam stromen, zo rond de 6, 7 jaar schat ik ze, en daarnaast hinkelt een kind van 2 in een zoet jurkje.

Fadi schiet van mijn schoot omhoog en kijkt met grote heldere ogen naar het clubje wat zojuist binnen komt stromen. Van een jongetje van 3 transformeert hij in een kind van 6, 7 jaar, zoals hij zich altijd aan weet te passen aan zijn doelgroep en dat is nu dat clubje stoere kids mét voetbal. Fadi is een sociaal en communicatief dier wat contact zoekt en net zo lang achter je aan rent, totdat je hem aankijkt en erkent. Zo ook op het soepfeest. Met pijn in mijn hart zie ik het kind die hele zaal doorrennen, achter dat clubje aan, alles om maar dat contact te maken. De jongens zien ‘m helemaal niet staan; hij is tenslotte 3 en wat kan hij nou, vul ik dan zo voor de jongetjes in. Ik besluit me even afzijdig te houden en bedenk me na wat hartmartelingen dat ik vertrouwen in hem moet hebben, dat hij dit zelf aan kan en slurp verder aan mijn soepje.

Wanneer ik me na het eindeloze soepje omdraai, zie ik hem midden in de zaal een voetbal wegschoppen naar twee jongetjes uit het clubje. Ze staan in een driehoek tegenover elkaar en hij schopt die bal in een kaarsrechte lijn knoerthard op zijn doel af. Mijn kleine Ronaldo.

Fadi is het toonbeeld van integratie. Het was niet zijn keuze om naar Portugal te verhuizen, met al haar ruimte en het schone buitenleven. Hij heeft het nog steeds over de muffe ondergrondse Tun Fun; een speelparadijs onder het Waterloopplein in Amsterdam. En hij mist zijn opa en 2 oma’s, zijn nichtje, tante en oom. Het is hartverscheurend hoe vaak hij het over ze heeft, ook omdat het mij continu herinnert aan wat ik achtergelaten heb en dat Portugal geen Tun Fun heeft.
Het was niet zijn keuze om in het diepe gegooid te worden op een schooltje waar hij ineens zo’n belachelijk schortje aan moest, en waar ze een taal spreken die alleen maar uit nasale klanken lijkt te bestaan. En iedereen die me vertelde dat hij binnen 3 maanden de taal zou spreken, heeft of een kind met een monsterlijke talenknobbel, of een kind met een vocabulaire wat uit 3 woorden bestaat. Wanhopig zei hij tijdens het autoritje van school naar huis: “… maar Papa, wat moet ik dan zeggen?… “, toen hij was geduwd door een jongetje uit de klas.

Dit jongetje liet mij op het soepfeestje even zien hoe je je doel kan bereiken. Ik zie mezelf dan wel niet achter een groep losgeslagen Portugezen aanrennen om onderdeel van een clubje te worden, maar in feite rennen we allemaal op een zekere hoogte ergens achteraan.
Nu heb ik begrepen dat rennen een onderdeel van het leven is en dat we de snelheid moeten afstemmen op wat nodig is. Kinderen rennen zich met passie suf om te bereiken wat ze willen, en zijn zo ontzettend momentbewust, dat alles wat niet met dat moment te maken heeft, verdwijnt.
Ik kan nog zoveel van hem leren.

Betonnen vloer

Als twintiger zag ik mij blootvoets lopen over een grijze massa van gehard cement, zand en steentjes. Hier en daar een tapijtje met meubels en kleuren die niet matchen, maar eigenlijk ook weer wel. Als je heel goed keek.
Uren kon ik bezig zijn om deze eclectische toestand in een soort van harmonie te krijgen.

Op die leeftijd woonde ik op de Baronielaan in Breda, met een houten vloer.
Dat klopte natuurlijk niet met mijn fantasie, dus die hele vloer lag onder een laag Perzisch stof met heel veel waterpijpen, die ik overigens nooit gebruikt heb.
Dat was ook het enige huis in de afgelopen twee decennia, waar ik de behoefte had om me hier überhaupt mee bezig te houden.

Misschien zit ik in een soort midlife crisis, want gisteravond na de Portugese les kocht ik nog bij de Intermarché een, volgens Lars, spuuglelijk kussentje waarvan ik overtuigd ben dat die echt heel mooi is. “Kijk nou goed! Het is gewoon een Kenzo… ”
Bij het afrekenen van dit kussentje en de kaas, zag ik Lars ineens heel intensief op zijn mobieltje swipen, alsof hij niets te maken had met dat mens met dat kussentje.

Een fase eerder in mijn leven voelde verlaten gebouwen als een warm bad; ik hield van het isolement en de stilte daarbij, iets moest leeg zijn en eigenlijk met zo weinig mogelijk mensen, dit waren slechts interne ruimtelijke stoorzenders.
Daar hoorde dan ook ontzettende vrolijke New Wave muziek bij en zwarte gewaden, maar van dat laatste had ik dan weer geen last. Ik was een kleurrijk figuur en niet bang om niet bij elkaar passende patronen te combineren. In die tijd had waarschijnlijk niemand met me af willen rekenen.

Eigenlijk is van dat alles nog heel veel overgebleven, behalve de New Wave muziek en de mens zien als ruimtelijke stoorzenders.
Van lege gebouwen met betonnen onafgewerkte vloeren en niet zo appetijtelijke muren krijg ik nog steeds de kriebels, overenthousiaste kriebels die ik niet kan plaatsen.
Mijn fantasie slaat op hol en na drie seconden binnen te zijn, heb ik 20 afleveringen van RTL woonmagazine klaarliggen.

Het huis waar wij in gaan wonen, heeft voor veel ophef gezorgd. Of dit wel een goed idee was, zo’n project. Dat duurt maanden! voordat het bewoonbaar is.
Dat klopt, het duurt ook maanden.
Wij willen niet wonen in een huis wat al voorgekauwd is, dat hebben we al jaren gedaan, wij willen ons eigen huis. En dat kost veel tijd, bloed, zweet en tranen. Letterlijk.

Ik ben jaloers op de handigheid van Lars en zijn vader Loek, die ieder steentje en rioolbuis voorbij zien komen en zich een slag in de rondte werken om dit geval bewoonbaar te maken. Mijn taak bestaat slechts uit het zeggen waar ik dat steentje wil hebben, erg arbeidsintensief dus.

Over een maand trekken we in dat huis, al moet ik me douchen in de wc, we zitten erin.
Het huis waar ik ’s ochtends blootvoets over de betonnen vloer naar de keuken loop, een kop koffie zet en verder schuivel naar de tuin, waar ik even terug kan denken aan wat mijn ouders me altijd hebben meegegeven; “Je kan alles worden wat je wilt, als je echt wilt”.

Pragmatische weerstand

Eigenlijk ben ik een enorme neuroot. Mijn meest lucratieve neurose was afvinken; lijsten vol met onleesbaar gekrabbel met daarvoor een vakje wat ik af mocht vinken wanneer de daad voltooid was. Het ging om hele lullige dingen die vooral ook in een bepaalde volgorde moesten, want dat hing dan weer van de route en andere weldoordachte facetten af.
Deze pragmatische eigenschap, laten we het positief benaderen, betekent dat alles al maanden van tevoren was uitgezocht. Het enige wat ik nog kon doen was wachten tot de voorgenomen datum, genoteerd op mijn lijstje, verlopen was.
Wat later in het leven werden de papieren lijstjes verruild voor digitale kalenders op smartphones met herinneringen, alarmen, kleurtjes en al.
Best gelikt, maar hier moest ik vanaf.
Dus ga je naar Portugal. Een land waar ze het wat minder nauw nemen. Bureaucratie en regeltjes zijn er net zoveel als in NL, maar dan zonder afvinkhokjes, je staat gewoon 5 maanden in de rij en valt van de ene verbazing in de ander. No further details. Misschien heb ik dit land ook wel uitgezocht juist om deze reden.

Het is vandaag 1 januari, de oliebollen hangen nog ergens in mijn keel en ik heb om 24.00u maar liefs drie lichtflitsen in de verre verte gezien. Dat was vuurwerk; lichtpuntjes op een zwart doek. Die lichtpuntjes hebben wel iets magisch, want je gaat in je gedachte, of nog erger; hardop, je hele leven na… Nou ja, 60 seconden van het leven, want je hele leven in 60 seconden is wel een beetje zielig.
Het zet dan ook de toon voor de rest van het jaar.
… Er ging helemaal niets door mijn hoofd. Dat belooft dus echt veel goeds!
Dit zou zomaar een jaar van afvinkloosheid kunnen zijn, een jaar waarin ik de digitale kalenders weer kan gaan gebruiken waar ze voor bedoeld zijn; kappers- en vergeet je moeder niet van het vliegveld af te halen-afspraken.

2015. Voor iedereen dit dit leest, mag jouw jaar net zo leeg zijn als mijn hoofd vannacht, zodat er ruimte is voor de dingen die er echt toe doen. Misschien komt de rest dan vanzelf…

Liefs, Claudia

 

 

Huis in puin

Je huis weerspiegeld wie je bent. Een huis geeft je niet alleen onderdak, ruimte voor je overdaad aan materie, een plek om te eten, te slapen en even ‘niks’ te zijn omdat je daar nu eenmaal zin in hebt. Een huis is zoals je bent, op dat moment in je leven. Het schoonmaken ervan ervaar ik dan ook als een dwangmatig therapeutisch gebeuren; alsof je je een weg moet banen door het leven … leven in deze is: zeven kuub inimini Lego-blokjes, aangekoekte Nijntje-biscuitjes, overal (wie verzint die krengen), overvolle vaatwassers die eigenlijk aangezet moeten worden, want dat gaat dan weer niet vanzelf en wasmanden vol waar dan één lullig truitje bij zit die op een ‘handwasprogramma’ moet en dus heel je dagschema verstoort.

Nu ben ik even zonder thuis; mijn leven is opgesplitst in drie huizen. Het eerste huis is in Amsterdam, mijn financiële eigendom waar nu iemand anders zijn thuis heeft gevonden. De huidige thuis is één van de appartement op Quinta Antes o Vento waar we tijdelijk wonen totdat de toekomstige thuis klaar is… Alleen is dit toekomstige thuis maar voor een bepaalde periode, want ooit gaan we ruilen met de ouders van Lars, die nu op B&B Quinta Antes o Vento wonen.

Verwarrend? Nee, best goed geregeld… doch thuisloos.
‘Thuis zijn’ is een psychologisch thema in mijn leven; ik heb heel veel thuizen gehad, ook heel veel therapie dus, en geleerd om van iedere situatie een thuis te maken. Het feit dat ik nu werk waar appartementen en huizen verhuurd worden (naast de B&B, beheren we 2 huizen van een Zwitsers stel) is geen toeval. De rode draad zet zich voort en dat is hetgeen waar ik me bij thuisvoel. Cirkeltje weer rond.

Ergens heb ik gelezen dat je in je eerste emigratiejaar op een roze wolk zit omdat je hersenen een stofje aanmaken dat je een soort verliefdheids-gevoel geeft…
Uuhhh, ik weet niet over wat voor ’n emigratie dat ging, een van Amsterdam naar Purmerend waarschijnlijk, want er is helemaal niets roze aan. Ik heb het geluk dat ik 6 maanden in Lissabon heb geleefd en er toch nog iets van die taal is blijven hangen, maar zonder die 3 woorden is je IBAN nummer bij de bank vragen (dat gaat hier zo), je weggelopen hond met je mono linguale Portugese buurvrouw tussen de boomgaarden zoeken, en voor de zoveelste keer uitleggen dat je geen bonuskaart van de ‘Mini Preço’ wilt, echt niet handig.
Dezelfde man of vrouw schreef dat dat stofje na een jaar uitgewerkt is en dat 80% van de remigraties plaatsvindt in het tweede jaar. Iets gaat niet goed hier; dat stofje heb ik nog niet eens gehad.

Geen roze wolk dus. Wel een beetje paars.
De eerste 2 maanden had ik het lastig en nog steeds is het zoeken en loop ik tegen dingen aan. Ik heb een abonnement op mijn schoonmoeder die voor ieder kast-van-de-muur-moment met mij mee moet en mis ik (geheel onverwacht) Wok to Go, MacDonalds, Soja-vlees, zakjes instant saus van Knorr en de peper- en zoutmolentjes bij Appie. Hier moet ik nu dus meer doen in de keuken en het is nu zeker; ik vind het toch echt niet leuk. Ik raak in paniek als ik in de supermarkt sta met die enorme afdelingen vis en vlees en ik moet een stuk van een net niet meer levende koe bestellen waarvan ik nog niet eens weet of het van z’n kont of poot komt…
Dus schuifel ik door naar de geprepareerde afdeling en koop een gehakte koe in een transparant pakje.
Een overwinning voor later.

Maar inmiddels ben ik gewend aan het niet hebben van een centrale verwarming, al heb ik dan wel een soort astronautisch thuispak aangeschaft, gemaakt van zo’n 43 teddy-beren, en inmiddels hoor ik het verschil tussen een vraag of een opmerking van de kassajuf; of ik een zakje wil of dat ik niet kan pinnen onder de €20,-, en kijk ik niet meer op als er in een soort rimboe-tafereel een ontsnapt schaap, ezel of konijn voorbij sjeest, met daar achteraan Menina in topvorm. Mijn hersenen maken dan wel niet die benodigde stofjes aan, ik leer op een stofjesloze manier dit nieuwe leven te kennen en waarderen.

Je zou denken: Mens, ga toch terug.

Ondanks de paniekaanvallen in de supermarkt, niet zonder je schoonmoeder kunnen en de rimboe-taferelen ben ik thuis, in dit land, zonder de taal te spreken.
Nog geen enkel moment heb ik me onbegrepen gevoeld; er zijn weinig landen waar mensen zo hun best doen om zich verstaanbaar te maken (boven de 80 ratelt het gewoon door) en waar je de kans krijgt om je 3 woorden uit te oefenen, met alle geduld. Hier hebben ze geen haast.
Als een hond die 7 rondjes draait voordat hij zijn plekje gevonden heeft, zo ga ik nu door het leven.
Uiteindelijk vind ik mijn thuis.

Serene drukte

De eerste dagen als immigrante zijn voorbij en die gingen niet vanzelf.
Op de dag van vertrek was het in Nederland eigenlijk nog vérre van rond; de kit-randjes die al zeker 3 jaar een doorn in het oog waren, werden ineens miraculeus binnen 7 minuten overgetrokken met een nieuw laagje. Hier en daar moest nog een lik verf. De koffers gingen met geen mogelijkheid dicht. Koffertje kopen. Ik moest me nog uitschrijven en niet geheel onbelangrijk: de huurovereenkomst was nog niet getekend.
Je kon met weinig moeite een betonnen plaat op mijn schouders kapot slaan.

Gelukkig was ik er mentaal op voorbereid dat als we eenmaal aangekomen waren, we er nóg niet zouden zijn. Die vrachtwagen met tig pallets en verhuisdozen lopen niet vanzelf de kamer in, ook hier moet je je inschrijven, alvorens je o.a. een ziektekosten verzekering kunt aanvragen. We snappen nog steeds niet hoe het werkt, maar we laten ons gedwee van het kastje naar de muur sturen. Tussendoor ben ik eindeloos bezig met een ondertekend huurcontract van mij uit terug te sturen naar NL, maar iedere printer waar ik naar kijk begeeft het en de cartridges van mijn hightech Epson zijn hier niet te vinden en moest fadi niet naar school? Waar is nou zijn inentings-boekje?!… waarschijnlijk ergens in Amsterdam naast het rijbewijs in mijn portemonnee. Einde van de maand beginnen de Portugese lessen, daar moet een formuliertje voor ingevuld worden, ze hebben dan ook een pasfoto nodig (die ene naast het rijbewijs), dus we maken een paar nieuwe waar ineens een vrouw op staat die een terroristisch aanslag zou kunnen plegen. Deze formuliertjes moeten dan ook weer terug gebracht worden.
Ondertussen zijn de pallets nog niet uitgepakt, 12 pallets tot de nok toe vol waar je 4 huizen mee kunt vullen. Het overgrote deel gekregen van Lars’ gulle oude baas… maar ik had ook mijn inbreng; 12 dozen kleding, waarvan 1 doos voor Lars, grotendeels gevuld met mijn Uggs. Een kist (in doos) met Portugees servies die ik 5 jaar geleden vanuit Lissabon heb laten opsturen, nooit die kist uit geweest; stond toch niet zo leuk in Nederland zoals ’t dat doet in Portugal, dus heel efficiënt weer mee terug verhuisd naar Portugal. Dozen vol vintage Iitala servies, milieuonvriendelijk ingepakt met kilo’s bubbeltjes-plastic. Per bord. 56-delig. Huge transparant plastic dozen gevuld met mijn fetisj; soepige jurken die schaamteloos graaiend verzameld zijn op de Noordermarkt. Die echt ooit nog eens ’n doel krijgen, écht. En…

En nu weer terug naar Portugal.

Af en toe als ik Fadi naar bedje breng en ik er even bij moet blijven liggen, knijp ik mijn ogen dicht en zie ik Amsterdam. Dat ik loop langs het Leidse Plein met Fadi in de kinderwagen, ook wel eens zonder Fadi in de kinderwagen. Ik zie de kamers van mijn appartementje die nu nóg kleiner lijken dan ze al zijn, en daar zit ik dan met mijn roséetje ergens op een verwarmd terras, mijn vrienden even later aansluitend. De volgende ochtend sta ik om 6u uur op, om met heel veel geluk 8 minuten me-time te hebben, en dan neem ik even later de trein richting Haarlem om een topomzet neer te zetten. Soms ook niet. Dan doen we iedere dag oneconomisch boodschappen, want het ontbreekt na lange dagen werken aan creativiteit, vervolgens gooien we aan het einde van de week de helft weg.
En als dan eindelijk dat knopje van de vaatwasser aangaat, gaat bij mij het knopje uit.

Nu drink ik geen roseetjes meer, maar zelfgemaakte notenwijn en Port. Ik huppel niet meer achter de kinderwagen aan, maar tuf bergje op en af in een auto. Onze bezoekjes aan de locale koffietent zijn een beetje zielig, het is altijd koffie en een broodje kaas; de enige woorden waar we niet over struikelen. Nu word ik niet meer wakker van de Melkweg, maar van een kudde hanen… het andere soort dan, ik weet niet wat erger is.

Alles is hier anders. Niet beter of minder, gewoon anders.
Eigenlijk is het hier oersaai, ik heb nog geen tv of krant gezien en ben helemaal wereldvreemd, alsof ik al 7 jaar als een wilde met een zelf gevangen dierenhuid op een onbewoond eiland zit en het er dik inzit dat niemand me gaat vinden. Af en toe heb ik nog last van de laatste stuiptrekkingen die ik aan het stadsleven heb over gehouden.

En dan langzaam… wordt alles… sereen…