Betonnen vloer

Als twintiger zag ik mij blootvoets lopen over een grijze massa van gehard cement, zand en steentjes. Hier en daar een tapijtje met meubels en kleuren die niet matchen, maar eigenlijk ook weer wel. Als je heel goed keek.
Uren kon ik bezig zijn om deze eclectische toestand in een soort van harmonie te krijgen.

Op die leeftijd woonde ik op de Baronielaan in Breda, met een houten vloer.
Dat klopte natuurlijk niet met mijn fantasie, dus die hele vloer lag onder een laag Perzisch stof met heel veel waterpijpen, die ik overigens nooit gebruikt heb.
Dat was ook het enige huis in de afgelopen twee decennia, waar ik de behoefte had om me hier überhaupt mee bezig te houden.

Misschien zit ik in een soort midlife crisis, want gisteravond na de Portugese les kocht ik nog bij de Intermarché een, volgens Lars, spuuglelijk kussentje waarvan ik overtuigd ben dat die echt heel mooi is. “Kijk nou goed! Het is gewoon een Kenzo… ”
Bij het afrekenen van dit kussentje en de kaas, zag ik Lars ineens heel intensief op zijn mobieltje swipen, alsof hij niets te maken had met dat mens met dat kussentje.

Een fase eerder in mijn leven voelde verlaten gebouwen als een warm bad; ik hield van het isolement en de stilte daarbij, iets moest leeg zijn en eigenlijk met zo weinig mogelijk mensen, dit waren slechts interne ruimtelijke stoorzenders.
Daar hoorde dan ook ontzettende vrolijke New Wave muziek bij en zwarte gewaden, maar van dat laatste had ik dan weer geen last. Ik was een kleurrijk figuur en niet bang om niet bij elkaar passende patronen te combineren. In die tijd had waarschijnlijk niemand met me af willen rekenen.

Eigenlijk is van dat alles nog heel veel overgebleven, behalve de New Wave muziek en de mens zien als ruimtelijke stoorzenders.
Van lege gebouwen met betonnen onafgewerkte vloeren en niet zo appetijtelijke muren krijg ik nog steeds de kriebels, overenthousiaste kriebels die ik niet kan plaatsen.
Mijn fantasie slaat op hol en na drie seconden binnen te zijn, heb ik 20 afleveringen van RTL woonmagazine klaarliggen.

Het huis waar wij in gaan wonen, heeft voor veel ophef gezorgd. Of dit wel een goed idee was, zo’n project. Dat duurt maanden! voordat het bewoonbaar is.
Dat klopt, het duurt ook maanden.
Wij willen niet wonen in een huis wat al voorgekauwd is, dat hebben we al jaren gedaan, wij willen ons eigen huis. En dat kost veel tijd, bloed, zweet en tranen. Letterlijk.

Ik ben jaloers op de handigheid van Lars en zijn vader Loek, die ieder steentje en rioolbuis voorbij zien komen en zich een slag in de rondte werken om dit geval bewoonbaar te maken. Mijn taak bestaat slechts uit het zeggen waar ik dat steentje wil hebben, erg arbeidsintensief dus.

Over een maand trekken we in dat huis, al moet ik me douchen in de wc, we zitten erin.
Het huis waar ik ’s ochtends blootvoets over de betonnen vloer naar de keuken loop, een kop koffie zet en verder schuivel naar de tuin, waar ik even terug kan denken aan wat mijn ouders me altijd hebben meegegeven; “Je kan alles worden wat je wilt, als je echt wilt”.

Serene drukte

De eerste dagen als immigrante zijn voorbij en die gingen niet vanzelf.
Op de dag van vertrek was het in Nederland eigenlijk nog vérre van rond; de kit-randjes die al zeker 3 jaar een doorn in het oog waren, werden ineens miraculeus binnen 7 minuten overgetrokken met een nieuw laagje. Hier en daar moest nog een lik verf. De koffers gingen met geen mogelijkheid dicht. Koffertje kopen. Ik moest me nog uitschrijven en niet geheel onbelangrijk: de huurovereenkomst was nog niet getekend.
Je kon met weinig moeite een betonnen plaat op mijn schouders kapot slaan.

Gelukkig was ik er mentaal op voorbereid dat als we eenmaal aangekomen waren, we er nóg niet zouden zijn. Die vrachtwagen met tig pallets en verhuisdozen lopen niet vanzelf de kamer in, ook hier moet je je inschrijven, alvorens je o.a. een ziektekosten verzekering kunt aanvragen. We snappen nog steeds niet hoe het werkt, maar we laten ons gedwee van het kastje naar de muur sturen. Tussendoor ben ik eindeloos bezig met een ondertekend huurcontract van mij uit terug te sturen naar NL, maar iedere printer waar ik naar kijk begeeft het en de cartridges van mijn hightech Epson zijn hier niet te vinden en moest fadi niet naar school? Waar is nou zijn inentings-boekje?!… waarschijnlijk ergens in Amsterdam naast het rijbewijs in mijn portemonnee. Einde van de maand beginnen de Portugese lessen, daar moet een formuliertje voor ingevuld worden, ze hebben dan ook een pasfoto nodig (die ene naast het rijbewijs), dus we maken een paar nieuwe waar ineens een vrouw op staat die een terroristisch aanslag zou kunnen plegen. Deze formuliertjes moeten dan ook weer terug gebracht worden.
Ondertussen zijn de pallets nog niet uitgepakt, 12 pallets tot de nok toe vol waar je 4 huizen mee kunt vullen. Het overgrote deel gekregen van Lars’ gulle oude baas… maar ik had ook mijn inbreng; 12 dozen kleding, waarvan 1 doos voor Lars, grotendeels gevuld met mijn Uggs. Een kist (in doos) met Portugees servies die ik 5 jaar geleden vanuit Lissabon heb laten opsturen, nooit die kist uit geweest; stond toch niet zo leuk in Nederland zoals ’t dat doet in Portugal, dus heel efficiënt weer mee terug verhuisd naar Portugal. Dozen vol vintage Iitala servies, milieuonvriendelijk ingepakt met kilo’s bubbeltjes-plastic. Per bord. 56-delig. Huge transparant plastic dozen gevuld met mijn fetisj; soepige jurken die schaamteloos graaiend verzameld zijn op de Noordermarkt. Die echt ooit nog eens ’n doel krijgen, écht. En…

En nu weer terug naar Portugal.

Af en toe als ik Fadi naar bedje breng en ik er even bij moet blijven liggen, knijp ik mijn ogen dicht en zie ik Amsterdam. Dat ik loop langs het Leidse Plein met Fadi in de kinderwagen, ook wel eens zonder Fadi in de kinderwagen. Ik zie de kamers van mijn appartementje die nu nóg kleiner lijken dan ze al zijn, en daar zit ik dan met mijn roséetje ergens op een verwarmd terras, mijn vrienden even later aansluitend. De volgende ochtend sta ik om 6u uur op, om met heel veel geluk 8 minuten me-time te hebben, en dan neem ik even later de trein richting Haarlem om een topomzet neer te zetten. Soms ook niet. Dan doen we iedere dag oneconomisch boodschappen, want het ontbreekt na lange dagen werken aan creativiteit, vervolgens gooien we aan het einde van de week de helft weg.
En als dan eindelijk dat knopje van de vaatwasser aangaat, gaat bij mij het knopje uit.

Nu drink ik geen roseetjes meer, maar zelfgemaakte notenwijn en Port. Ik huppel niet meer achter de kinderwagen aan, maar tuf bergje op en af in een auto. Onze bezoekjes aan de locale koffietent zijn een beetje zielig, het is altijd koffie en een broodje kaas; de enige woorden waar we niet over struikelen. Nu word ik niet meer wakker van de Melkweg, maar van een kudde hanen… het andere soort dan, ik weet niet wat erger is.

Alles is hier anders. Niet beter of minder, gewoon anders.
Eigenlijk is het hier oersaai, ik heb nog geen tv of krant gezien en ben helemaal wereldvreemd, alsof ik al 7 jaar als een wilde met een zelf gevangen dierenhuid op een onbewoond eiland zit en het er dik inzit dat niemand me gaat vinden. Af en toe heb ik nog last van de laatste stuiptrekkingen die ik aan het stadsleven heb over gehouden.

En dan langzaam… wordt alles… sereen…